De Essenen

Het Vredesevangelie der Essenen openbaart dat Jezus Christus al wist van de helende krachten van de natuur - namelijk die van lucht, licht en water - en hun genezende invloeden op de mens. Het leven van Jezus Christus is nauw verweven met de Broederschap der Essenen. In dit boek zijn enkele glasheldere teksten opgenomen waarin hij over natuurlijke genezing spreekt. 

Veel moderne therapieën uit de (alternatieve) geneeskunde, zoals kruidenheelkunde, vasten en diverse voedingsleren, vinden hun oorsprong in de ervaringen van de Essenen.

De Essenen (tweede en eerste eeuw v.Chr.) vormden een kleine gemeenschap en leefden volgens strikte religieuze regels. Uit hun geschriften is op te maken dat zij een schakel vormden tussen de oudere religieuze tradities (Zarathustra) en het opkomende christendom. De geschriften zijn bij toeval gevonden in de gehime archieven van het Vaticaan; vanaf het moment dat zij in 1933 voor het eerst zijn verschenen, hebben zij voor miljoenen mensen over de hele wereld de basis gevormd voor een nieuwe levensfilosofie.

De leer der Essenen
Het vredesevangelie van de Essenen
E. Bordeaux Szekely

Het Vredesevangelie der Essenen

Het Vredesevangelie der Essenen

HOOFDSTUK 1

En toen kwamen er vele zieken en verminkten tot Jezus en zij vroegen hem: “Indien Gij echt alles weet, vertel ons dan: waarom moeten wij onder al deze smartelijke kwalen lijden? Waarom zijn wij niet gezond zoals andere mensen? Meester, genees ons opdat ook wij sterk gemaakt mogen worden en niet langer in onze ellende behoeven te verblijven. Wij weten dat het in Uw vermogen ligt om alle ziekten te genezen. Bevrijd ons van de Satan en al zijn vreselijke kwellingen. Meester, heb medelijden met ons.” En Jezus antwoordde: “Gelukzalig zijt gij, dat gij hongert naar de waarheid want ik zal u verzadigen met het brood der wijsheid. Gelukzalig zijt gij dat gij klopt want ik zal voor u de deur des levens openen. Gelukzalig zijt gij dat gij de macht van de Satan af wilt werpen want ik zal u het koninkrijk der engelen van onze moeder binnen leiden, alwaar de macht van de Satan geen toegang heeft.”

En zij vroegen hem vol verbazing: “Wie is onze Moeder en welke zijn haar engelen? En waar is haar koninkrijk?”

“Uw Moeder is in u en u bent in haar. Zij heeft u gedragen: zij geeft u leven. Zij was het die u uw lichaam gaf en aan haar zult gij het eens terug geven. Gelukzalig zijt gij wanneer gij haar en haar koninkrijk leert kennen; indien gij de engelen uwer moeder ontvangt en naar haar wetten leeft. Voorwaar, ik zeg u: hij die deze dingen doet zal nooit ziekte kennen. Want de macht van onze Moeder gaat alles te boven. En hij vernietigt de Satan en zijn koninkrijk en heerst over uw aller lichamen en over alles wat leeft. Het bloed dat in ons stroomt is geboren uit het bloed van onze Moeder Aarde. Haar bloed daalt neer uit de wolken, het ontspringt aan de schoot der aarde, het kabbelt in de bergbeken, het stroomt in brede rivieren over de vlakten, het slaapt in de meren en raast machtig in de onstuimige zeeën.

De lucht die wij inademen is geboren uit de adem van onze Moeder Aarde. Haar adem is azuur in de hoogten der hemelen, suist rond de toppen der bergen, fluistert tussen de bladeren van het woud, golft over de graanvelden, sluimert in de diepe valleien en brandt heet in de woestijn. De hardheid van onze beenderen is geboren uit de beenderen van onze Moeder Aarde, uit de rotsen en uit de gesteenten. Op de bergtoppen trotseren zij naakt de hemelen; als reuzen liggen zij te slapen op de hellingen der bergen, als afgodsbeelden staan zij verspreid in de woestijn en in het diepst der aarde zijn zij verborgen. De zachtheid van ons vlees is geboren uit het vlees van onze Moeder Aarde wier vlees rood en geel groeit in de vruchten der bomen en als voedsel voor ons in de voren van de akker staat. Onze ingewanden zijn geboren uit de ingewanden van onze Moeder Aarde en zijn voor onze ogen verborgen, gelijk de onzichtbare diepten van het binnenste der aarde. Het licht van onze ogen en het gehoor van onze oren: beiden zijn zij geboren uit de kleuren en geluiden van onze Moeder Aarde die ons omringen zoals de golven van de zee een vis en zoals de dwarrelende lucht een vogel omringt. Naar volledige waarheid zeg ik u: de Mens is de Zoon van Moeder Aarde en van haar ontving de Zoon des Mensen zijn gehele lichaam, gelijk het lichaam van een pasgeborene werd geboren uit de schoot van zijn moeder. Voorwaar, ik zeg u: gij zijt een met Moeder Aarde; zij is in u en gij zijt in haar. Uit haar werd gij geboren, in haar leeft gij en tot haar zult gij wederkeren.

Houdt u daarom aan haar wetten, want niemand kan lang leven noch gelukkig zijn, als hij zijn Moeder Aarde niet eert en niet naar haar wetten leeft. Want uw adem is haar adem; uw bloed is haar bloed; uw beenderen zijn haar beenderen; uw vlees is haar vlees, uw ingewanden zijn haar ingewanden; uw ogen en oren zijn haar ogen en oren. Voorwaar, ik zeg u: indien gij slechts één van al deze wetten overtreedt, indien gij slechts één van al uw lichaamsdelen schade berokkent, dan zult gij reddeloos verloren zijn in uw smartelijke ziekte en er zal geweeklaag zijn en geknars van tanden. Ik zeg u, als gij niet leeft naar de wetten van uw Moeder zult gij op generlei wijze aan de dood kunnen ontkomen. En hem, die trouw blijft aan de wetten van zijn Moeder, zal zijn Moeder ook trouw blijven. Zij zal al zijn kwalen genezen en nooit zal hij ziek worden. Zij schenkt hem een lang leven en beschermt hem tegen alle smarten; tegen vuur, tegen water en tegen de beet van giftige slangen. Want uw Moeder heeft u gedragen en houdt het leven in u in stand. Zij heeft u haar lichaam gegeven en geen ander dan zij zal u genezen. Gelukzalig is hij die zijn Moeder liefheeft en zich ter ruste legt in haar schoot. Want uw Moeder heeft u lief, zelfs nog wanneer u zich van haar afkeert. En hoe veel te meer zal zij u niet liefhebben, wanneer u tot haar wederkeert?

Waarlijk, ik zeg u: zeer groot is haar liefde, groter dan de hoogste bergen en de diepste zeeën. En hen die hun Moeder liefhebben laat zij nooit in de steek. Zoals de hen haar kuikens in bescherming neemt, de leeuwin haar welpen en de moeder haar pasgeborene, zo neemt Moeder Aarde de Zoon des Mensen in bescherming tegen alle gevaren en alle kwaad. “Want voorwaar, ik zeg u: ontelbare kwalijke zaken en gevaren staan de Zonen der Mensen te wachten. Beëlzebub, de vorst der demonen en bron van alle kwaad, ligt op de loer in het lichaam van alle Zonen der Mensen. Hij is de dood, de meester van alle plagen en vermomd in aantrekkelijke kledij verlokt hij de Zonen der Mensen en verleidt hij ze. Rijkdom belooft hij en macht en schitterende paleizen, gouden en zilveren gewaden en een grote hoeveelheid dienaren; al van dat soort zaken. Hij belooft ook roem en eer, overspel en wellust, vraatzucht en gepimpel, een losbandige leefwijze, luiheid en leegloperij. En hij verleidt eenieder met datgene waartoe diens hart het meeste geneigd is. En op de dag dat de Zonen der Mensen reeds verslaafd zijn geraakt aan al die ijdelheden en gruwelen, dan ontrooft hij in ruil daarvoor de Zonen der Mensen datgene wat Moeder Aarde hun in zo grote overvloed geschonken heeft. Hij ontneemt hun dan hun adem, hun bloed, hun gebeente, hun vlees, hun ingewanden, hun ogen en hun oren. En de adem van de Zonen der Mensen wordt kort en verstikt, zeer pijnlijk en kwalijk riekend, als de adem van onreine beesten. En zijn bloed wordt dik en kwalijk riekend, gelijk het water der moerassen; het klontert en wordt zwart, als de nacht des doods. En zijn beenderen verkalken en worden knoestig; zij lossen zich van binnen op en vallen in stukken uiteen gelijk een steen die neervalt op een rots. En zijn vlees wordt vet en pafferig, het rot en ettert met gruwelijke korsten en puisten. En zijn ingewanden raken vol met gruwelijke vuiligheid en de stromen van verrotting druipen er uit en drommen gruwelijke wormen hebben er hun woonplaats. En zijn gezichtsvermogen wordt vaag, totdat de duistere nacht zijn ogen geheel en al omsluiert; en zijn gehoor raakt verstopt en wordt zo stil als het graf. En ten laatste zal de in dwaling verkerende Zoon des Mensen het leven verliezen. Want hij hield zich niet aan de wetten van zijn Moeder en beging de ene zonde na de andere! Daarom zijn hem alle gaven van Moeder Aarde ontnomen: zijn adem, bloed, beenderen, vlees, ingewanden, ogen en oren en na dit alles ook het leven, waarmee Moeder Aarde zijn lichaam bekroond had.

Maar mocht de in dwaling verkerende Zoon des Mensen zijn zonden berouwen en ze teniet doen en tot Moeder Aarde weder keren; en mocht hij de wetten van Moeder Aarde ten uitvoer brengen en zich uit de klauwen van de Satan bevrijden en weerstand bieden aan diens verleidingen, dan ontvangt Moeder Aarde haar Zoon, die tevoren in dwaling verkeerde, wederom vol liefde en stuurt zij hem haar engelen om hem te dienen. Voorwaar, ik zeg u: wanneer de Zoon des Mensen de Satan die in hem woont kan weerstaan en zich niet overgeeft aan diens wil: dan zullen terzelfder ure nog de engelen van Moeder Aarde daar gevonden kunnen worden, om hem met al hun kracht te dienen en de Zoon des Mensen volkomen uit de macht van de Satan te bevrijden. Want niemand kan twee heren dienen. Want hij dient hetzij Beëlzebub en diens duivelen, ofwel hij dient onze Moeder Aarde en al haar engelen. Ofwel hij dient de dood ofwel hij dient het leven. Voorwaar, ik zeg u: gelukzalig zijn degenen die de wetten van het leven ten uitvoer brengen en die niet ronddolen over de paden des doods. Want in hen worden de krachten des levens sterk en zij ontkomen aan de plagen des doods.” En allen die rondom hem stonden luisterden in verwondering naar zijn woorden want er lag kracht in zijn woord en hij onderwees geheel anders dan de priesters en de schriftgeleerden. En hoewel de zon nu reeds onder was gegaan keerden zij nog niet naar huis terug. Zij zaten om Jezus heen en vroegen Hem: “Meester, wat zijn die wetten van het leven? Blijf nog een wijle langer bij ons en onderricht ons. Wij zouden gaarne willen luisteren naar uw leer opdat wij zullen genezen en ook rechtschapen worden.

” En Jezus zette zich neder in hun midden en zeide: “Voorwaar, ik zeg u: niemand kan gelukzalig zijn, tenzij hij de Wet ten uitvoer brengt.” En de anderen antwoordden: “Wij volgen allen de wetten van Mozes, onze wetgever, juist gelijk zij geschreven staan in de heilige geschriften.” En Jezus antwoordde: “Zoek niet de wet in uw geschriften, want de wet is het leven terwijl de schrift dood is. Waarlijk, ik zeg u: Mozes ontving niet zijn wetten van God in geschrift, maar door het levende woord. De wet is het levende woord van de levende God aan levende profeten ten behoeve van levende mensen. In al wat leeft staat de wet geschreven. Gij kunt hem vinden in het gras, in de boom, in de rivier, in de berg, in de vogelen des hemels en in de vissen der zee; maar zoekt hem vooral ook in uzelf! Want voorwaar, ik zeg u: al wat leeft staat dichter bij God dan de schrift, die levenloos is! God heeft het leven en al wat leeft zo geschapen dat zij de wetten van de ware God door het eeuwig levende woord aan de mens zouden onderwijzen. God schreef niet de wetten op de bladzijden van boeken, maar in uw hart en in uw geest. Zij zijn in uw adem, in uw bloed, in uw beenderen; in uw vlees, in uw ingewanden, uw ogen, uw oren en zelfs tot in het kleinste deeltje van uw lichaam. Zij zijn aanwezig in de lucht, in het water, in de aarde, in de planten, in de zonnestralen, in de diepten en in de hoogten. Zij spreken alle tot u opdat gij de taal en de wil van de levende God moge verstaan. Maar gij sluit uw ogen om niet te zien en gij sluit uw oren om niet te hoeven horen! Waarlijk, ik zeg u dat de schrift het werk van mensen is; maar het leven en al zijn dragers zijn het werk van onze God. Waarom luistert gij niet naar de woorden van God, die geschreven staan in Zijn werken? En waarom bestudeert gij nog de dode geschriften die het werk zijn van mensenhanden?”

 “Hoe kunnen wij de wetten van God ergens anders lezen dan in de geschriften? Waar staan zij geschreven? Leest U ze ons daaruit voor waar U ze zien kunt, want wij kennen slechts de geschriften die wij van onze voorvaderen geërfd hebben. Zeg ons de wetten waarvan U spreekt, opdat wij ze mogen horen en daardoor genezen zullen en rechtschapen zullen worden.” Jezus sprak: “Gij begrijpt de woorden des levens niet, omdat gij in de dood verblijft. Duisternis verduistert uw ogen en uw oren zitten verstopt met doofheid. Want ik zeg u: gij vindt er geenszins baat bij dat u zich verdiept in dode geschriften zolang gij door uw daden Hem die u die geschriften heeft gegeven verloochent. Voorwaar, ik zeg u: God en zijn wetten zijn niet in hetgeen gij doet! Zij zijn niet in vraatzucht en gepimpel, noch in een losbandig leven; noch in wellust, noch in het najagen van rijkdom en al evenmin in de haat voor uw vijanden. Want al deze dingen zijn verre van de ware God en van diens engelen. Maar al die dingen komen van het koninkrijk der duisternis en de meester van alle kwaad! En al die dingen draagt gij in u; en zo krijgen het woord en de kracht van God bij u geen toegang omdat in uw lichaam en uw geest allerlei kwaad en gruwelen gehuisvest zijn. Indien gij wilt dat het woord en de kracht van de levende God tot u doordringen: bezoedelt dan uw lichaam en geest niet want het lichaam is de tempel van de geest en de geest is de tempel van God. Reinigt daarom de tempel, opdat de Here van de tempel daarin moge verblijven en een plaats kan innemen die Hem waardig is! En verschuilt u in de schaduw van Gods hemel tegen alle verleidingen van uw lichaam en uw geest, die van de Satan afkomstig zijn. Vernieuwt u zich en vast. Want voorwaar, ik zeg u dat de Satan en zijn plagen slechts uitgeworpen kunnen worden door vasten en gebed.

Gaat een voor een in afzondering vasten en laat niemand anders uw vasten aanschouwen. De levende God zal het zien en groot zal uw beloning zijn. En vast dan totdat Beëlzebub met al zijn kwaad u verlaat en totdat alle engelen van onze Moeder Aarde u komen dienen. Want voorwaar, ik zeg u: tenzij gij vast, zult gij nooit bevrijd raken uit de macht van de Satan en verlost worden van al de kwalen die van de Satan afkomstig zijn. Vast dan en bidt vurig en zoekt de kracht van de levende God voor uw genezing. Terwijl gij vast dient gij de Zonen der Mensen te mijden en contact te zoeken met de engelen van Moeder Aarde; want wie zoekt zal vinden. Zoekt de frisse lucht van het woud en de velden op; en daar, temidden van hen zult gij de engel van de lucht vinden. Trekt dan uw schoenen en uw kleding uit en staat toe dat de engel van de lucht geheel uw lichaam omhelst. Haalt dan lang en diep adem zodat de engel van de lucht bij u binnen kan gaan. Voorwaar, ik zeg u: de engel van de lucht zal alle onreinheid die uw lichaam van binnen en van buiten bezoedelde, eruit verdrijven. En zo zullen alle kwalijk riekende en onreine zaken uit u opstijgen, zoals de rook van het vuur omhoog kringelt en verloren gaat in de zeeën van lucht. Want waarlijk, ik zeg u: heilig is de engel van de lucht die alles zuivert wat onrein is en alles wat kwalijk riekt een zoete geur geeft.

Geen mens mag voor het aangezicht van God verschijnen die door de engel van de lucht niet doorgelaten wordt. Waarlijk: allen moeten door lucht en door waarheid weder geboren worden want uw lichaam ademt de lucht van Moeder Aarde in en uw geest ademt de waarheid in van onze Hemelse Vader. Zoekt na de engel van de lucht de engel van het water. Trekt uw schoeisel en kleding uit en staat toe dat de engel van het water uw gehele lichaam omhelst. Geeft u totaal over aan zijn omarming en even zo vaak als gij de lucht met uw adem beweegt, beweegt zo ook het water met uw lichaam. Voorwaar, ik zeg u: de engel van het water zal alle onreinheden van uw lichaam verdrijven, die het van binnen en van buiten bezoedelden. En alle onreine en kwalijk riekende zaken zullen uit u wegvloeien gelijk de onreinheid van kleding die in water wordt gewassen wegvloeit en verloren gaat in de stroming van de rivier. Waarlijk, ik zeg u: heilig is de engel van het water die alles zuivert wat onrein is en alles wat kwalijk riekt een zoete geur geeft. Geen mens mag voor het aangezicht van God verschijnen die door de engel van het water niet doorgelaten wordt. Waarlijk: allen moeten door water en door waarheid weder geboren worden, want uw lichaam baadt in de rivier van het aardse leven en uw geest baadt in de rivier van het eeuwige leven. Want gij ontvangt uw bloed van onze Moeder Aarde en de Waarheid van onze Hemelse Vader. Denkt niet, dat het voldoende is wanneer de engel van het water u slechts van buiten omspoelt. Voorwaar, ik zeg u: de onreinheid van binnen is vele malen groter dan de onreinheid van buiten. En hij die zich van buiten reinigt maar van binnen onrein blijft is als graftomben die van buiten mooi beschilderd zijn, maar die van binnen vol zitten met allerlei onreinheden en gruwelen.

Dus zeg ik u, waarlijk: staat toe dat de engel van het water u ook van binnen doopt opdat u bevrijd wordt van al uw begane zonden en opdat u ook van binnen zo rein wordt als het schuim der rivier dat speelt in het zonlicht.

Zoekt daarom een grote kalebas met een steel van manshoogte; holt deze van binnen uit en vult hem met water uit de rivier dat door de zon verwarmd is. Hangt deze op aan de tak van een boom en knielt neder op de grond voor de engel van het water en staat toe dat het einde van de steel van de kalebas uw achterste deel binnengaat zodat het water door al uw ingewanden kan vloeien.

Blijft daarna op de grond knielen voor de engel van het water en bidt dan tot de levende God dat Hij u al uw begane zonden wil vergeven en bid de engel van het water dat hij uw lichaam bevrijdt van alle onreinheid en ziekte. Laat dan het water uit uw lichaam wegstromen zodat het alle onreine en kwalijk riekende zaken van de Satan van binnenuit weg kan nemen. En met eigen ogen zult gij zien en met uw neus zult gij kunnen ruiken, alle gruwelen en onreinheden die de tempel van uw lichaam bezoedelden, gelijk alle zonden die in uw lichaam huisden en die u kwelden met allerlei pijn. Ik zeg u, waarlijk: door u met water te dopen bevrijdt u zich van dit alles. Herhaalt uw doop met water elke dag dat gij vast, tot de dag komt waarop gij ziet dat het water dat uit u wegstroomt even rein is als het schuim der rivier. Begeeft u dan met uw lichaam naar de stromende rivier en betuig daar, in de armen van de engel van het water, uw dank aan de levende God dat hij u bevrijd heeft van uw zonden. En deze heilige doop door de engel van het water is: wedergeboorte tot een nieuw leven. Want vanaf dat ogenblik zullen uw ogen zien en uw oren zullen horen! Daarom zult gij ook na uw doop niet meer zondigen: opdat de engelen van de lucht en van het water eeuwig in u mogen verblijven en u voor altijd mogen dienen.

En als er daarna iets van uw vroegere zonden en onreinheid is achtergebleven: zoek dan de engel van het zonlicht. Trekt uw schoeisel en kleren uit en staat toe dat de engel van het zonlicht uw gehele lichaam omhelst. Haalt dan lang en diep adem, zodat de engel van het zonlicht bij u kan binnengaan. En de engel van het zonlicht zal alle kwalijk riekende en onreine zaken uit uw lichaam verdrijven die het van buiten en van binnen bezoedelden. En alle onreine en kwalijk riekende zaken zullen uit u opstijgen, zoals de duisternis van de nacht verbleekt voor het licht van de opkomende zon. Want voorwaar, ik zeg u: heilig is de engel van het zonlicht die alle onreinheden zuivert en alle kwalijk riekende zaken een zoete geur geeft. Geen mens mag voor het aangezicht van God verschijnen die door de engel van het zonlicht niet doorgelaten wordt. Waarlijk: allen moeten door de zon en door waarheid weder geboren worden, want uw lichaam koestert zich in het zonlicht van Moeder Aarde en uw geest koestert zich in het zonlicht van de waarheid van de Hemelse Vader.

De engelen van lucht en water en zonlicht zijn broeders. Zij werden de zoon des mensen gegeven om hem te dienen zodat hij altijd van de een tot de ander kan gaan. Even zo heilig is hun omarming. Zij zijn onafscheidelijke kinderen van Moeder Aarde, dus dient u hen die door hemel en aarde een zijn gemaakt niet van elkaar te scheiden. Laat deze drie engelen, die broeders zijn, u iedere dag omarmen en laat hen bij u vertoeven zolang gij vast! Want waarlijk, ik zeg u: de macht der duivelen, alle zonden en alle onreinheden, zullen haastiglijk vertrekken uit het lichaam dat door deze drie engelen omarmd wordt. Gelijk dieven die vluchten uit een verlaten huis, wanneer de heer des huizes thuis komt: elk waar hij op zijn vlucht gevonden wordt en waarheen hij maar kan; de ene bij de deur, de andere bij het raam en de derde op het dak. Evenzo zullen alle kwade duivelen, alle begane zonden en alle onreinheden en ziekten die de tempel van uw lichaam bezoedelden, uit uw lichaam vluchten. Wanneer de engelen van Moeder Aarde uw lichaam binnengaan, op zulk een wijze dat de Heer van de tempel er weer bezit van kan nemen: dan zullen alle kwalijke geuren inderhaast vertrekken door uw adem en door uw huid; de vervuilde vloeistoffen door uw mond en door uw huid, door uw achterste deel en uw geslachtsdelen. En al deze dingen zult gij zien met eigen ogen en ruiken met uw neus en aan kunnen raken met uw hand.

En wanneer alle zonde en onreinheid uit uw lichaam verdwenen zijn zal uw bloed zo rein worden als het bloed van onze Moeder Aarde en als het schuim van de rivier dat speelt in het zonlicht. En uw adem zal zo rein worden als de adem van geurige bloemen; uw vlees zo rein als het vruchtvlees dat tussen de boombladeren tot rijping komt; het licht van uw ogen zo helder en schitterend als de schittering van de zon in een hemelsblauwe lucht. En nu zullen alle engelen van Moeder Aarde u dienen! En uw adem, uw bloed en uw vlees zullen een zijn met adem, bloed en vlees van Moeder Aarde zodat uw geest ook een kan worden met de geest van de Hemelse Vader. Want waarlijk: niemand kan de Hemelse Vader bereiken dan door Moeder Aarde. Net zoals geen pasgeborene de lessen van zijn vader kan begrijpen voordat zijn moeder hem heeft gezoogd, gebaad en verzorgd, hem te slapen heeft gelegd en hem heeft gevoed. Zolang het kind nog klein is, is zijn plaats bij zijn moeder en dient het zijn moeder te gehoorzamen. Wanneer het kind groter is geworden neemt zijn vader het mee om naast hem op de akker te werken en het kind komt alleen bij zijn moeder terug wanneer de tijd voor het middag- en avondeten aangebroken is. En nu onderricht zijn vader hem, zodat hij zich in het werk zijns vaders kan bekwamen. En wanneer de vader ziet dat zijn zoon zijn onderricht begrijpt en zijn werk goed doet, dan schenkt hij hem al zijn bezittingen opdat die aan zijn geliefde zoon mogen toe behoren en de zoon zijns vaders werk voort kan zetten. Ik zeg u, waarlijk: gelukzalig is de zoon die de raadplegingen van zijn moeder aanneemt en daarnaar leeft. En honderd maal zo gezegend is de zoon die ook de raad van zijn vader aanneemt en daarnaar leeft; want er werd u gezegd: “Eert uw vader en uw moeder opdat uw dagen lang mogen zijn op deze aarde.”

Maar ik zeg u, Zonen der Mens: Eert uw Moeder Aarde en houdt u aan al haar wetten, opdat uw dagen lang mogen zijn op deze aarde en eert uw Hemelse Vader opdat het Eeuwige Leven in de hemelen uw deel moge zijn! Want de Hemelse Vader is honderd maal groter dan allen die vader zijn middels hun zaad en bloed, en Moeder Aarde is groter dan allen die moeder zijn middels hun lichaam. En de Zoon des Mensen is in de ogen van zijn Hemelse Vader en zijn Moeder Aarde dierbaarder dan kinderen dat zijn in de ogen van hen die vader zijn middels hun zaad en bloed en moeder middels hun lichaam. En wijzer zijn de woorden en wetten van uw Hemelse Vader en van uw Moeder Aarde dan de woorden en de wil van allen die vader zijn middels hun zaad en hun bloed en moeder zijn middels hun lichaam . En van meer waarde is ook de erfenis van uw Hemelse Vader en die van uw Moeder Aarde: het eeuwig koninkrijk van leven op aarde en in de hemel dan alle erfenissen van hen, die uw vader zijn middels hun zaad en bloed en uw moeder zijn middels hun lichaam. En uw ware broeders zijn al degenen die de wil van uw Hemelse Vader en uw Moeder Aarde ten uitvoer brengen en niet uw bloedverwanten. Voorwaar, ik zeg u: zij die uw ware broeders zijn in de wil van de Hemelse Vader en Moeder Aarde, zullen u duizendmaal meer liefhebben dan uw bloedverwanten! Want sinds de dagen van Kaïn en Abel, toen zij die door bloedverwantschap broeders waren de wil van God overtraden, bestaat er geen ware broederschap door bloedverwantschap meer. En broeders behandelen hun broeders als waren zij vreemden voor hen. Daarom, zo zeg ik u: hebt uw ware broeders in de wil van God duizendmaal meer lief dan uw broeders door bloedverwantschap!

WANT UW HEMELSE VADER IS LIEFDE, WANT UW MOEDER AARDE IS LIEFDE, WANT DE ZOON DES MENSEN IS LIEFDE!

Het is door de liefde, dat de Hemelse Vader en Moeder Aarde en de Zoon des Mensen een worden. Want de geest van de Zoon des Mensen is geschapen uit de geest van de Hemelse Vader en zijn lichaam uit het lichaam van Moeder Aarde. Wordt daarom volmaakt, zoals de geest van uw Hemelse Vader en het lichaam van uw Moeder Aarde volmaakt zijn. En hebt uw Hemelse Vader net zo lief als Hij uw geest liefheeft. En hebt uw Moeder Aarde net zo lief als zij uw lichaam liefheeft. En hebt uw ware broeders net zo lief als uw Hemelse Vader en Moeder Aarde hen liefhebben. En dan zal uw Hemelse Vader u zijn geest schenken en uw Moeder Aarde zal u haar heilig lichaam schenken. En dan zullen de zonen der mensen als ware broeders elkaar liefde schenken: de liefde die zij ontvingen van hun Hemelse Vader en hun Moeder Aarde. En allen zullen zij elkander tot troost zijn. En dan zullen alle kwaad en smart van de Aarde verdwijnen en er zal liefde en vreugde op aarde zijn! En dan zal de aarde zijn als de hemelen en het koninkrijk Gods zal komen. En dan zal de Zoon des Mensen in al zijn glorie komen om het koninkrijk Gods te beërven. En dan zullen de Zonen der Mensen hun goddelijke erfenis verdelen: het koninkrijk Gods. Want de zonen der mensen leven in de Hemelse Vader en in Moeder Aarde en de Hemelse Vader en Moeder Aarde leven in hen.

En dan zal, met het koninkrijk Gods, het einde der tijden komen. Want de liefde van de Hemelse Vader geeft allen het eeuwige leven in het koninkrijk Gods. Want liefde is eeuwig! Liefde is sterker dan de dood! Al ware het dat ik de taal der mensen en de taal der engelen sprak, maar ik had de liefde niet: dan was ik slechts als schallend koper of een rinkelende cimbaal. Al zou ik u alles kunnen voorspellen wat komen gaat, al kende ik alle geheimen en al had ik alle wijsheid; en al had ik geloof, zo sterk als de storm, die bergen kan verzetten, maar ik had de liefde niet: dan was ik niets! En al zou ik al mijn goederen uitdelen om de armen te voeden en al gaf ik al mijn vuur weg, dat ik ontving van mijn Hemelse Vader, maar ik had de liefde niet: dan zou dit mij geenszins baten. De liefde is geduldig; de liefde is vriendelijk; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk; zij is niet opgeblazen; zij is niet grof, noch zelfzuchtig; zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad, zij verblijdt zich niet in onrecht, maar schept genoegen in gerechtigheid. De liefde beschermt alles, de liefde gelooft alles, de liefde hoopt alles, de liefde verdraagt alles, zij put zichzelf nooit uit; maar aan de spraak zal een einde komen en kennis zal verdwijnen. Want slechts voor een deel kennen wij de waarheid en voor een deel dwalen wij; maar wanneer de volmaaktheid in al haar volheid komen zal, dan zal al wat onvolledig is uitgewist worden. Toen een man nog kind was, sprak hij nog als een kind, verstond hij nog als een kind en dacht hij nog als een kind. Maar toen hij een man werd, legde hij zijn kinderlijkheid af. Want nu zien wij nog als door een spiegel en door raadselen. Nu weten wij nog maar ten dele, maar wanneer wij God van aangezicht tot aangezicht zullen zien, dan zullen wij niet meer slechts ten dele kennen, maar gelijk zo wij van Hem zullen leren. En voor nu blijven ons deze drie dingen: geloof, hoop en liefde; maar de meeste van deze is de Liefde!

En nu spreek ik tot u in de levende taal van de levende God, door de heilige geest van onze Hemelse Vader. Er is nu nog niemand onder u die alles kan begrijpen van wat ik tot u spreek. Hij die u de schrift verklaart spreekt tot u in een dode taal van dode mensen, door zijn zieke en sterfelijke lichaam. Hem kan daarom iedereen begrijpen want alle mensen zijn ziek en ten dode opgeschreven. Niemand ziet het licht des levens! De ene blinde leidt de andere over de duistere paden van zonde, ziekte en lijden; en tenslotte vallen allen in de put des doods. Ik ben door de Vader tot u gezonden om het licht des levens voor u te laten schijnen. Het licht verlicht zichzelf en de duisternis, maar de duisternis kent slechts zichzelf en kent niet het licht. Vele dingen heb ik u nog te zeggen, doch thans kunt gij die nog niet dragen. Want uw ogen zijn nog de duisternis gewend en het volle licht van de Hemelse Vader zou u nu verblinden. Daarom kunt gij nu nog niet begrijpen wat ik tot u zeg betreffende de Hemelse Vader die mij tot u gezonden heeft. Leeft daarom vooreerst uitsluitend volgens de wetten van uw Moeder Aarde, over wie ik u verteld heb. En nadat haar engelen uw lichaam gereinigd en vernieuwd zullen hebben en uw ogen kracht gegeven hebben, dan pas zult gij het licht van onze Hemelse Vader kunnen verdragen.

Wanneer gij op het midden van de dag zonder met de ogen te knipperen in de volle zon kunt kijken, dan kunt gij het verblindende licht van uw Hemelse Vader aanschouwen dat wel duizendmaal scheller is dan het licht van duizend zonnen. Maar hoe zoudt gij het verblindende licht van uw Hemelse Vader kunnen aanschouwen zolang gij nog niet eens het volle zonlicht kunt verdragen? Gelooft mij, dit is slechts als een kaarsvlam vergeleken bij de zon der waarheid van de Hemelse Vader. Maar hebt daarom geloof, hoop en liefde. Voorwaar, ik zeg u: gij zult uw beloning niet begeren. Wanneer gij mijn woorden gelooft, gelooft gij in Degene die mij gestuurd heeft, die de Here van alles is en bij wie alles mogelijk is. Want wat bij de mens onmogelijk is, al die dingen zijn bij God mogelijk! Wanneer gij gelooft in de engelen van Moeder Aarde en haar wetten naleeft, dan zal uw geloof u staande houden en gij zult nooit ziekte kennen. Put ook hoop uit de liefde van uw Hemelse Vader want wie op hem vertrouwt zal nooit bedrogen worden, noch zal hij ooit de dood onder ogen hoeven te zien. Hebt elkander lief want God is liefde en zo zullen zijn engelen weten dat gij zijn paden bewandelt. En dan zullen alle engelen voor uw aangezicht verschijnen en u dienen. En de Satan met al zijn zonden, ziekten en onreinheden zal uw lichaam verlaten.

Gaat, mijdt uw zonden; hebt berouw; doopt uzelf opdat gij herboren moge worden en opdat gij niet meer moge zondigen.” Toen stond Jezus op. Maar allen bleven zitten, want eenieder voelde de kracht van zijn woorden. En toen verscheen de volle maan tussen de uiteen wijkende wolken en omhulde Jezus met licht. En vonken vlogen omhoog uit zijn haar en hij stond tussen hen in, in het maanlicht, alsof hij in de lucht zweefde. En niemand bewoog zich, noch werd ook maar iemands stem gehoord. En niemand wist hoeveel tijd er verstreken was, want de tijd had stil gestaan. Toen strekte Jezus zijn handen naar hen uit en zei: “Vrede zij met u.” En zo vertrok hij, zoals een zuchtje wind het groen der takken doet zwaaien. En geruime tijd nog zat het gezelschap stil en toen ontwaakten zij in de stilte, de een na de ander, als uit een lange droom. Maar niemand maakte aanstalten om weg te gaan, alsof de woorden van hem die hen zojuist verlaten had nog steeds in hun oren klonken. En zij zaten daar allemaal alsof zij zaten te luisteren naar wonderschone muziek. Maar ten slotte zei een van hen, enigszins verlegen: “Wat is het goed om hier te zijn” en iemand anders zei: “Duurde deze nacht maar eeuwig” en weer iemand anders zei: “Was hij maar altijd bij ons.” “Hij is werkelijk de boodschapper van God, want hij heeft hoop geplant in onze harten.” En niemand wilde naar huis gaan en zij zeiden: “Ik ga niet naar huis, waar alles somber en vreugdeloos is. Waarom zouden wij naar huis gaan, waar niemand van ons houdt?”

En zo spraken zij, want bijna allen waren arm, lam, blind, verminkt, bedelaars en thuislozen, veracht om hun ellende, die alleen uit medelijden werden geduld in de huizen waar zij voor een paar dagen onderdak vonden. Zelfs sommigen die zowel een huis als een gezin hadden, zeiden: “Ook wij blijven bij jullie.” Want elk van hen voelde dat de woorden van hem die was heengegaan het kleine gezelschap met onzichtbare draden omsloten hadden. En allen voelden zij zich herboren. Zij zagen de wereld voor hun ogen schitteren, zelfs wanneer de maan schuil ging achter de wolken. En in aller harten bloeiden wonderschone bloemen van een wonderbaarlijke schoonheid: de bloemen der vreugde. En toen de eerste heldere zonnestralen aan de horizon oplichtten, voelden zij allen dat het de zon was van het koninkrijk Gods. En met vreugde op hun gelaat gingen zij heen om Gods engelen te ontmoeten.


HOOFDSTUK 2

En vele onreinen en zieken volgden Jezus’ woorden op en gingen naar de oevers van ruisende stromen. Zij trokken hun schoeisel en kleren uit, zij vastten en zij gaven hun lichaam over aan de engelen van de lucht, van het water en van het zonlicht. En de engelen van Moeder Aarde omhelsden hen en namen zowel van binnen als van buiten bezit van hun lichaam. En allen zagen zij dat alle kwaad, alle zonden en alle onreinheid haastig uit hen vertrokken. En van sommigen kreeg de adem een stank als dat wat vrijkomt uit de ingewanden en anderen gaven slijm af en uit hun binnenste kwam kwalijk riekend en onrein braaksel omhoog.

Al die onreinheden kwamen uit hun mond naar buiten, bij sommigen door hun neus en bij anderen weer door hun ogen en oren. En velen scheidden over hun gehele lichaam, over hun hele huid, een stinkend en afschuwelijk zweet af. En op veler ledematen verschenen grote, vurige puisten die onreinheden uitscheidden en kwalijk riekten en de urine vloeide overvloedig uit hun lichaam; maar bij velen was de urine bijna opgedroogd en zo dik geworden als bijenhoning; die van anderen was bijna rood of zwart en bijna zo hard als rivierzand. En velen lieten stinkende winden uit hun ingewanden, als de adem van demonen. En hun stank werd zo hevig dat niemand hem kon verdragen.

En toen zij zich doopten ging de engel van het water hun lichaam binnen en alle gruwelen en onreinheden van hun begane zonden vloeiden uit hun weg en als een waterval stroomden vele harde en zachte gruwelen weg uit hun lichaam. En de grond waarop hun water viel werd verontreinigd en de stank werd zo hevig dat niemand daar kon blijven. En de duivelen verlieten hun ingewanden in de vorm van talrijke wormen die kronkelden in het slijm van hun onreine binnenste. En zij kronkelden in machteloze woede nadat de engel van het water ze uit de ingewanden van de Zonen der Mensen had verdreven. En toen daalde de kracht van de engel van het zonlicht op ze neer en wanhopig kronkelend kwamen zij daar om, onder de voet gelopen door de engel van het zonlicht. En allen beefden van ontzetting toen zij deze gruwelen van de Satan aanschouwden, waarvan de engelen hen hadden bevrijd.

En zij betuigden hun dank aan God die deze engelen had gezonden om hen te redden. En er waren sommigen die gekweld werden door hevige pijnen die hen niet wilden verlaten; en niet wetende wat ze moesten doen besloten zij om iemand uit hun midden naar Jezus te laten gaan want zij wensten vurig dat hij bij hen zou zijn. En nadat twee van hen weg waren gegaan om hem te zoeken, zagen zij Jezus zelf al naderbij komen langs de oever van de rivier. En hun harten werden gevuld met hoop en vreugde toen ze zijn groet hoorden: “Vrede zij met u.” En er waren vele vragen die zij hem hadden willen stellen, maar tot hun verbazing konden zij niet beginnen want er schoot hun geen enkele te binnen. Toen zei Jezus tegen hen: “Ik ben gekomen omdat gij mij nodig hebt.” En een van hen riep: “Meester, dat is zo: bevrijd ons van onze pijn!”

En Jezus sprak tot hen in gelijkenissen: “Gij zijt als de verloren zoon, die vele jaren etende en drinkende doorbracht en zijn dagen met zijn vrienden versleet in losbandigheid en wellust. En elke week liep hij nieuwe schulden op zonder dat zijn vader daarvan op de hoogte was en binnen een paar dagen smeet hij alles over de balk. En de geldschieters waren hem altijd ter wille omdat zijn vader grote rijkdom bezat en altijd geduldig de schulden van zijn zoon betaalde. En tevergeefs waarschuwde hij zijn zoon met redelijke woorden, want die luisterde nooit naar de waarschuwingen van zijn vader en tevergeefs smeekte de vader hem om zijn uitspattingen, waaraan geen einde kwam, op te geven en om op zijn akkers toezicht te houden op het werk van zijn knechten. En de zoon beloofde hem altijd alles als hij zijn oude schulden maar zou betalen maar de volgende dag begon hij weer. En meer dan zeven jaar lang volhardde de zoon in zijn losbandig leven. Maar tenslotte verloor zijn vader zijn geduld en hij weigerde de geldschieters de schulden van zijn zoon te betalen. “Als ik maar doorga met betalen,” zo zei hij, “komt er geen einde aan de zonden van mijn zoon.”

Toen namen de geldschieters, die zich bedrogen voelden, in hun toorn de zoon gevangen zodat hij door dagelijkse arbeid het geld dat hij geleend had aan hen kon terugbetalen. En toen kwam er een einde aan het eten en drinken en de dagelijkse uitspattingen. Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat besproeide hij de akkers in het zweet zijns aanschijns en al zijn ledematen deden pijn van dit hem ongewone werk. En hij leefde op droog brood en hij had alleen zijn tranen om het te bevochtigen. En drie dagen later leed hij zo hevig onder de hitte en zijn vermoeidheid dat hij tegen zijn meester zei: “Ik kan niet meer werken want al mijn ledematen doen pijn. Hoe lang wilt gij mij nog kwellen?” “Tot de dag dat je mij door het werk van je handen al je schulden hebt afbetaald, en als er zeven jaren voorbij zijn gegaan zal je vrij zijn.” En de wanhopige zoon antwoordde wenend: “Maar ik kan het maar zeven dagen volhouden. Heb medelijden met mij, want al mijn ledematen staan in brand en doen mij zeer.” En de gemene schuldeiser schreeuwde: “Schiet op met je werk; als je zeven jaar lang je dagen in losbandigheid kon doorbrengen, zal je nu zeven jaar moeten werken. Ik zal je niet vergeven totdat je al je schulden hebt terugbetaald tot de allerlaatste cent! En de zoon ging wanhopig en met een kwellende pijn in zijn ledematen terug naar de akkers om door te gaan met zijn werk.

Hij kon al bijna niet meer op zijn benen staan van vermoeidheid en pijn toen de zevende dag was aangebroken: de sabbat, wanneer niemand op het veld werkt. Toen vergaarde de zoon zijn laatste krachten en hij strompelde naar het huis van zijn vader. En hij wierp zich voor zijn vaders voeten en zei: “Vader, geloof me voor de laatste keer en vergeef me alles wat ik u heb aangedaan. Ik zweer u dat ik nooit meer een losbandig leven zal leiden en dat ik in alles uw gehoorzame zoon zal zijn. Bevrijd me toch uit de handen van mijn verdrukker. Vader, kijk naar mij en mijn zieke ledematen en laat uw hart zich niet verharden.” Toen kwamen er tranen in zijn vaders ogen en deze nam zijn zoon in zijn armen en sprak: “Laten wij feestvieren want vandaag is mij een grote vreugde overkomen omdat ik mijn geliefde zoon heb terug gevonden, die verloren was.” En hij trok hem zijn mooiste gewaad aan en de gehele dag vierden zij feest. En de volgende morgen gaf hij zijn zoon een buidel zilver om zijn schuldeisers alles te betalen wat hij hun schuldig was.

En toen zijn zoon terug kwam zei hij tegen hem: “Mijn zoon, begrijp je nu dat het gemakkelijk is om met een losbandig leven zeven jaar lang schulden op te lopen, maar dat het moeilijk is om ze terug te betalen door zeven jaar zware arbeid?” “Vader, het is inderdaad moeilijk om ze te betalen, zelfs voor zeven dagen al.” En zijn vader waarschuwde hem met de volgende woorden: “Slechts voor deze ene keer was het je toegestaan om je schulden te betalen in zeven dagen in plaats van zeven jaar en de rest is je kwijtgescholden. Maar pas op dat je in de eerstvolgende tijd niet weer schulden oploopt. Want waarlijk, ik zeg je dat niemand anders dan je vader jou je schulden zou kwijtschelden, omdat jij zijn zoon bent. Want voor ieder ander zou je zeven jaren hard hebben moeten werken, zoals onze wetten dat voorschrijven.” “Mijn vader, van nu af aan ben ik je liefhebbende en gehoorzame zoon en ik zal geen schulden meer oplopen, want ik weet hoe moeilijk het is om ze terug te betalen.”

En hij ging naar zijn vaders akkers en hield elke dag toezicht op het werk van zijn vaders knechten. En hij liet zijn knechten nooit hard werken, want hij herinnerde zich zijn eigen zware arbeid. En de jaren gingen voorbij en de bezittingen van zijn vader namen steeds meer toe onder zijn toezicht, want zijn werk had zijn vaders zegen. En langzamerhand gaf hij zijn vader het tienvoudige terug van wat hij in die zeven jaar verbrast had. En toen zijn vader zag dat zijn zoon van zijn knechten en zijn bezittingen goed gebruik maakte, zei hij tegen hem: “Mijn zoon, ik zie dat mijn bezittingen in goede handen zijn. Ik geef je al mijn vee, mijn huis, mijn land en mijn schatten. Laat dit alles je erfenis zijn: ga door met het te vermeerderen en ik zal vreugde in je scheppen.” En toen de zoon zijn erfenis van zijn vader ontvangen had, schold hij allen die hem schuldig waren maar hem niet konden betalen hun schulden kwijt want hij was niet vergeten dat zijn eigen schuld hem ook kwijtgescholden was toen hij hem niet kon betalen. En God zegende hem met een lang leven, met vele nakomelingen en met veel rijkdom, want hij was goed voor al zijn knechten en voor al zijn vee.” Toen wendde Jezus zich tot de zieken en zei: “Ik spreek tot u in vergelijkingen opdat gij Gods woord beter zult kunnen begrijpen. De zeven jaren van eten en drinken en van losbandig leven zijn de zonden uit het verleden. De gemene schuldeiser is de Satan. De schulden zijn de ziekten. De zware arbeid is de pijn. De verloren zoon: dat bent u zelf.

De betaling van schulden is het uit u verdrijven van alle duivelen en ziekten en het genezen van uw lichaam. De buidel vol zilver die hij van zijn vader ontving is de bevrijdende kracht van de engelen. De vader is God. De bezittingen van de vader zijn hemel en aarde. De knechten van de vader zijn de engelen. De akker van de vader is de wereld die in het hemels koninkrijk veranderd wordt als de Zonen des Mensen daar tezamen met de engelen van de Hemelse Vader aan werken. Want ik zeg u: het is beter dat de zoon zijn vader gehoorzaamt en toezicht houdt op de akker, dan dat hij schulden oploopt bij een gemene schuldeiser en in slavernij moet zwoegen en zweten om al zijn schulden terug te betalen. Zo is het ook beter als de Zonen des Mensen de wetten van hun Hemelse Vader gehoorzamen en samen met Zijn engelen werken aan Zijn koninkrijk, dan dat zij in het krijt komen te staan bij de Satan, de heer van de dood, van alle zonden en van alle ziekten en dat zij pijn moeten lijden en zweten totdat zij voor al hun zonden betaald hebben. Voorwaar, ik zeg u: groot en talrijk zijn uw zonden! Vele jaren lang hebt gij toegegeven aan de verleidingen van de Satan. Gij zijt veelvraten, drinkebroers en hoerenlopers geweest en uw begane zonden hebben zich vermenigvuldigd. En nu moet gij ze terugbetalen en de betaling is moeilijk en zwaar. Wordt daarom niet al na de derde dag ongeduldig, zoals de verloren zoon, maar wacht dan geduldig op de zevende dag, die door God geheiligd is en dan kunt gij met een nederig en gehoorzaam hart voor het aangezicht van uw Hemelse Vader verschijnen opdat Hij u uw zonden en al uw vroegere schulden vergeeft.

Voorwaar, ik zeg u: de liefde van uw Hemelse Vader kent geen grenzen want hij staat u toe om in zeven dagen de schulden van zeven jaren te betalen! Degenen die de zonden en ziekten van zeven jaren schuldig zijn maar eerlijk betalen en tot de zevende dag volharden: aan hen zal onze Hemelse Vader de schulden van al die zeven jaren kwijtschelden. “En als we zevenmaal zeven jaren zondigen?” vroeg een zieke man die verschrikkelijk leed. “Zelfs in dat geval zal de Hemelse Vader u al uw schulden kwijtschelden, in zeven maal zeven dagen .” “Gezegend zijn zij die tot het einde toe volharden want de duivelen van de Satan schrijven al uw slechte daden in een boek, in het boek van uw lichaam en uw geest. Voorwaar, ik zeg u: er bestaat niet een enkele zondige daad of hij wordt opgeschreven, al van het begin der wereld, voor onze Hemelse Vader. Want gij kunt misschien de wetten ontduiken die door koningen gemaakt zijn maar aan de wetten van uw God kan geen der Zonen des Mensen ontkomen.

En wanneer gij voor het aangezicht van God verschijnt getuigen de duivelen van de satan met uw akte tegen u; en God ziet uw zonden die in het boek van uw lichaam en uw geest geschreven staan en is bedroefd in zijn hart. Maar als gij berouw hebt van uw zonden en als gij door te vasten en te bidden de engelen van God zoekt, dan wissen Gods engelen voor u elke dag dat u doorgaat met vasten en bidden uw slechte daden van een heel jaar uit het boek van uw lichaam en uw geest. En wanneer ook de laatste bladzijde schoon gewist is van al uw zonden, dan staat gij voor het aangezicht van God; en God verheugt zich in zijn hart en vergeet al uw zonden! Hij bevrijdt u uit de klauwen van de Satan en uit uw lijden: Hij neemt u op in Zijn huis en beveelt al zijn dienaren, al zijn engelen om u te dienen. Een lang leven geeft Hij u, en ziekte zult gij nooit kennen. En indien gij vanaf dat moment uw dagen doorbrengt met het begaan van goede daden in plaats van zondigen, dan zullen de engelen van God al uw goede daden opschrijven in het boek van uw lichaam en van uw geest. Voorwaar, ik zeg u: niet een enkele goede daad blijft voor God ongeschreven, al van het begin der wereld. Want op uw beloning van uw koningen en regeerders kunt gij misschien tevergeefs blijven wachten, maar nooit zullen uw goede daden zonder beloning van God zijn.

En wanneer gij voor Gods aangezicht verschijnt zullen zijn engelen met uw goede daden voor u getuigen. En God ziet dan hoe uw goede daden in uw lichaam en geest geschreven staan en Hij verheugt zich dan in Zijn hart. Dan zal Hij uw lichaam en uw geest zegenen en al uw daden en als erfenis zal Hij u zijn aardse en zijn hemelse koninkrijk geven opdat gij daarin eeuwig zult kunnen leven. Gelukzalig is hij die het koninkrijk Gods kan binnengaan want hij zal nooit de dood kennen! En er viel een indrukwekkende stilte bij zijn woorden. En degenen die ontmoedigd waren putten weer nieuwe moed uit Zijn woorden en gingen door met vasten en bidden. En degene die het eerste gesproken had zei tegen Hem: “Ik zal volharden tot de zevende dag.” En de tweede zei evenzo tegen Hem: “Ook ik zal volhouden tot de zevenmaal zevende dag.” Jezus antwoordde hem: “Gelukzalig zijn zij die tot het einde toe volharden, want zij zullen de aarde beërven. En er waren in hun midden vele zieken die door smartelijke pijnen gekweld werden en met moeite kropen zij tot voor Jezus’ voeten, want hun benen konden hen niet langer dragen.

Zij zeiden: “Meester, wij worden smartelijk gekweld door pijn; zeg ons wat wij moeten doen.” En zij toonden Jezus hun voeten, waarin de botten totaal vergroeid waren en zeiden: “Noch de engel van de lucht, noch die van het water, noch die van het zonlicht heeft onze pijnen verzacht ofschoon wij ons toch gedoopt hebben en wij toch vasten en bidden en in alles uw woorden navolgen.” Voorwaar, ik zeg u: uw beenderen zullen genezen. Zijt niet mismoedig, maar zoekt genezing bij de genezer der beenderen: de engel van de aarde. Want daaruit komen uw beenderen voort en daarheen zullen zij wederkeren.” En hij wees met zijn hand naar een plek aan de oever van het water waar het stromende water en de hitte van de zon de aarde tot klei hadden gemaakt. “Dompelt u onder in de modder, zodat de omhelzing van de engel van de engel van de aarde alle onreinheid en ziekte uit uw botten kan trekken. En gij zult zien hoe de Satan en uw pijn voor de omhelzing van de engel van de aarde op de vlucht gaan.

En de knobbels op uw botten zullen verdwijnen en uw beenderen zullen weer recht groeien en al uw pijn zal ophouden.” En de zieken volgden zijn woorden op, want zij wisten dat zij genezen zouden worden. En er waren ook andere zieken die veel pijn leden en die niettemin volhardden in hun vastenkuur. En hun kracht raakte op en zij werden gekweld door zeer hoge temperatuur. En toen zij uit hun ziekbed op wilden staan om naar Jezus toe te gaan werden zij duizelig, alsof zij door een hevige windvlaag getroffen werden. En hoe vaak zij ook probeerden op te staan, telkens vielen zij weer terug op de grond. Toen ging Jezus naar hen toe en zei: “Gij lijdt omdat de Satan en zijn ziekten uw lichaam kwellen. Maar vreest niet, want aan hun macht over u zal spoedig een einde komen! Want de Satan is als een opvliegende buurman die het huis van zijn buurman is binnengegaan toen die niet thuis was en die van plan is om diens bezittingen over te brengen naar zijn eigen huis. Maar de buurman werd gewaarschuwd dat zijn vijand in zijn huis tekeer ging en hij haastte zich terug naar zijn huis. En toen de gemene buurman alles wat hem beviel vergaard had en uit de verte zag dat de heer des huizes haastig terug keerde was hij zeer verbolgen dat hij niet alles kon meenemen en begon hij alles wat er stond stuk te slaan en te beschadigen, alles te vernietigen. Zodat zelfs al zouden al die dingen dan niet van hem zijn, de ander in ieder geval niets meer zou hebben. Maar zodra de heer des huizes binnen kwam en voordat de gemene buurman zijn plan kon volbrengen, pakte hij hem beet en smeet hij hem het huis uit.

Waarlijk, ik zeg u: precies zo is de Satan in uw lichaam binnengegaan, dat Gods verblijfplaats is. En hij nam alles dat hij wilde stelen in zijn macht: uw adem, uw bloed, uw beenderen, uw vlees, uw ingewanden, uw ogen en uw oren. Maar door te vasten en te bidden hebt u de heer des huizes en zijn engelen terug geroepen. En nu ziet de Satan dat de ware heer van uw lichaam thuis komt en dat daarmee zijn macht ten einde is. Daarom verzamelt hij in zijn woede nog eenmaal al zijn krachten om voordat de heer thuis komt uw lichaam te verwoesten. Daarom kwelt de Satan u zo smartelijk, want hij voelt dat het einde nabij is. Maar laat uw hart standvastig zijn want spoedig zullen de engelen Gods verschijnen om hun woonplaats weer in bezit te nemen en die weer als tempel aan God te wijden. En zij zullen de Satan grijpen en hem uit uw lichaam verdrijven met al zijn ziekten en al zijn onreinheden. En gij zult gelukzalig zijn, want gij zult de beloning voor uw standvastigheid ontvangen en gij zult nooit meer ziekte kennen.” En onder de zieken was er een die door de Satan meer gekweld werd dan alle anderen. En zijn lichaam was zo verdord als een skelet en zijn huid was geel als een vallend blad. Hij was al zo verzwakt dat hij zelfs niet meer op zijn handen naar Jezus toe kon kruipen, en hem slechts vanuit de verte kon toeroepen: “Meester, heb erbarmen met mij want nog nooit heeft er sinds het begin der wereld iemand zo geleden als ik. Ik weet dat u inderdaad door God gestuurd bent en ik weet dat u inderdaad de Satan onmiddellijk uit mijn lichaam kunt verwijderen als u dat wilt. Gehoorzamen de engelen van God niet Gods boodschapper? Kom, meester, verdrijf nu de Satan uit mij, want hij gaat als een razende in mij tekeer en smartelijk is zijn kwelling.’

En Jezus antwoordde hem: “De Satan kwelt u zo hevig omdat gij al vele dagen hebt gevast en hem zijn schatting niet betaalt! Gij voedt hem niet met alle gruwelen waarmee gij tot nu toe de tempel van uw geest hebt bezoedeld. Gij kwelt de Satan met honger en daarom kwelt hij u in zijn toorn ook. Wees niet bevreesd, want ik zeg u dat de Satan vernietigd zal worden voordat uw lichaam vernietigd is; want terwijl gij vast en bidt beschermen Gods engelen uw lichaam opdat de macht van de Satan u niet vernietige en de woede van de Satan is machteloos tegenover Gods engelen. Toen gingen zij allen naar Jezus toe en smeekten hem met luider stem: “Meester, heb toch medelijden met hem, want hij lijdt meer dan wij allen en als u de Satan niet dadelijk uit hem verdrijft vrezen wij dat hij de morgen niet zal halen.” En Jezus antwoordde hun: “Groot is uw geloof. Laat het zo zijn als uw geloof u ingeeft en spoedig zult gij de schrikwekkende verschijning van de Satan zien, van aangezicht tot aangezicht met de kracht van de Zoon des Mensen. Want met de kracht van het onschuldige lam Gods, het zwakste van Gods schepselen, zal ik de machtige Satan uit u verdrijven. Want Gods heilige geest maakt de zwakste machtiger dan de sterkste.”

En Jezus melkte een ooi die in het gras stond te grazen. En hij goot de melk op het zand dat door de zon verhit was en zei: “Zie, de kracht van de engel van het water is deze melk binnen gegaan. En nu zal de kracht van de engel van het zonlicht hem ook binnen gaan.” En de melk werd door de kracht van de zon verhit. “En nu zullen de engelen van het water en het zonlicht samengaan met de engel van de lucht.” En zie, de damp van de hete melk begon langzaam op te stijgen in de lucht. “Kom en adem door uw mond de kracht in van de engelen van het water, van het zonlicht en van de lucht, zodat deze uw lichaam kan binnengaan en de Satan uit u kan verdrijven.” En de zieke man die door de satan werd gekweld nam door zijn adem diep de opstijgende, witachtige damp in zich op. “Onmiddellijk zal de Satan uw lichaam verlaten, want sinds drie dagen lijdt hij honger en vindt hij in u niets te eten. Hij zal uit u komen om zijn honger te bevredigen met de hete, dampende melk, want dat voedsel staat hem aan. Hij zal de geur ervan ruiken en zal de honger die hem al drie dagen heeft gekweld niet kunnen weerstaan. Maar de Zoon des Mensen zal zijn lichaam vernietigen, zodat hij geen ander zal kunnen kwellen.” Toen werd het lichaam van de zieke man door een aanval getroffen en hij deed alsof hij moest overgeven, maar hij kon dat niet. En hij snakte naar lucht want zijn adem was afgesneden. En hij viel flauw op Jezus’ schoot. “Nu verlaat de Satan zijn lichaam. Kijkt naar hem.”

En Jezus wees naar de open mond van de zieke man. En toen zagen zij allen tot hun verbazing en tot hun grote schrik dat de Satan uit zijn mond te voorschijn kwam in de vorm van een afschuwelijke worm, recht op de dampende melk af. Toen nam Jezus twee scherpgerande stenen in zijn handen en verbrijzelde het hoofd van de Satan en trok het gehele monsterlijke lichaam, dat bijna zo lang was als de man zelf, uit de zieke man. Nadat de afschuwelijke worm uit de keel van de zieke was gekomen kwam deze dadelijk weer op adem en al zijn pijnen stopten onmiddellijk. En de anderen stonden ontzet naar het afschuwelijke lichaam van de Satan te kijken. “Zie wat een gruwelijk beest gij al die jaren in uw lichaam hebt gedragen en gevoed. Ik heb het uit u gedreven en gedood, zodat het u nooit meer kan kwellen. Zeg God uw dank dat zijn engelen u bevrijd hebben en zondig niet meer, of de Satan zal weer bij u terug komen. Laat uw lichaam van nu af aan een tempel zijn gewijd aan God.” En zij waren allen verbaasd over zijn woorden en zijn kracht.

En zij zeiden: “Meester, u bent inderdaad de boodschapper van God en u kent inderdaad alle geheimen.” “En gij:”antwoordde Jezus, “Weest ware Zonen van God, opdat gij deel kunt hebben aan Zijn kracht en Zijn kennis van alle geheimen. Want wijsheid en kracht komen slechts voort uit Gods liefde. Hebt daarom uw Hemelse Vader en uw Moeder Aarde lief met geheel uw hart en geheel uw geest. En weest hun dienaren opdat hun engelen u op hun beurt dienen. Laat al uw daden een offerande zijn aan God. En voedt de Satan niet want het loon der zonde is de dood. Maar God beloont de goede daden met Zijn liefde, die de kennis en de kracht van het eeuwige leven is. En allen knielden zij neer om God dank te zeggen voor Zijn liefde. En Jezus vertrok met de woorden: “Allen die volharden in gebed en vasten tot de zevende dag zullen mij weerzien. Vrede zij met u.” En de zieke man uit wie Jezus de Satan verdreven had stond op, want alle pijn had hem verlaten. En hij wierp zich ter aarde waar Jezus had gestaan en kuste zijn voetafdruk en hij weende.


 HOOFDSTUK 3

En het was bij de rivierbedding dat vele zieken vastten en baden met Gods engelen gedurende zeven dagen en zeven nachten. En groot was hun beloning, omdat zij Jezus’ woorden opvolgden. En toen de zevende dag verstreken was waren zij bevrijd van al hun pijn. En toen de zon opkwam aan de horizon zagen zij Jezus naderen van de berg af en het licht van de opkomende zon schitterde rond zijn hoofd. “Vrede zij met u.” En zij zeiden helemaal niets, maar wierpen zich slechts ter aarde en raakten de zoom van zijn kleed aan ten teken dat zij genezen waren.

“Mij hoeft gij niet te danken, maar uw Moeder Aarde die haar genezende engelen gezonden heeft. Gaat nu en zondigt niet meer, dan zult gij nooit meer ziekte kennen. En mogen de genezende engelen u beschermen.” Maar zij antwoordden hem: “Waarheen zouden wij gaan, Meester? Want bij u zijn de woorden van het eeuwige leven te vernemen. Vertel ons welke zonden wij dienen te vermijden opdat wij nooit meer ziekte zullen kennen.” Jezus antwoordde: “Laat het zijn overeenkomstig uw geloof,” en hij zette zich in hun midden neder en sprak: “Oudtijds is reeds gezegd:

“Eert uw Hemelse Vader en uw Moeder Aarde en doe als zij bevelen, opdat uw dagen op aarde verlengd worden.” En direct daarna volgde het gebod: “Gij zult niet doden,” want aan allen wordt het leven gegeven door God en wat God gegeven heeft zal de mens niet wegnemen. Want waarlijk, ik zeg u: alle leven op aarde komt voort uit één Moeder! Wie doodt, doodt daarom zijn broeder. En van hem zal Moeder Aarde zich afkeren en met versnelde adem zal zij hem van haar borst verstoten. En hem zullen haar engelen mijden en in zijn lichaam zal de Satan zijn woonplaats kiezen. En het vlees van geslachte dieren zal in zijn lichaam worden tot zijn eigen graf. Want voorwaar, ik zeg u: hij die doodt, doodt zichzelf en wie vlees van geslachte dieren eet, eet van het lichaam van de dood! Want in zijn bloed verandert elke druppel van hun bloed in vergif; in zijn adem verandert hun adem in stank; in zijn vlees verandert hun vlees in puisten; in zijn beenderen veranderen hun beenderen in kalk; in zijn ingewanden zetten hun ingewanden zich om in verrotting; hun ogen worden als schellen over zijn ogen; hun oren worden tot was in zijn oren. En hun dood zal zijn dood zijn! Want alleen in dienst van uw Hemelse Vader worden u uw schulden van zeven jaren in zeven dagen kwijt gescholden. Maar de Satan scheldt u niets kwijt en hem moet gij voor alles betalen. “Oog om oog, tand voor tand; hand voor hand, voet voor voet; blaar voor blaar, wond voor wond; leven voor leven, dood voor dood.” Want het loon der zonde is de dood. Doodt niet en eet niet het vlees van uw onschuldige prooi, anders zult gij tot slaaf van de Satan worden.

Want dat is de weg van het lijden en deze leidt naar de dood. Maar doet Gods wil, opdat Zijn engelen u mogen dienen op uw levensweg. Zijt daarom gehoorzaam aan de woorden Gods: “zie, ik heb u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde gegeven en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn: het zal u tot spijze dienen. En aan alle gedierte der aarde en al het gevogelte des hemels en al wat op aarde kruipt waarin leven is, geef ik al het groene kruid tot spijze. Ook de melk van al wat leeft zal u tot spijze dienen; zoals ik hun het groene kruid gegeven heb, zo geef ik u hun melk. Maar vlees en het bloed dat vlees tot leven brengt zult gij niet eten! En voorzeker: het bloed dat uit u spuit zal ik opeisen, uw bloed, waarin uw ziel gehuisvest is; ik zal alle geslachte dieren opeisen en de zielen van alle ter dood gebrachte mensen. Want Ik, de Here uw God ben een machtig en naijverig God, die de ongerechtigheid der Vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die mij haten; en die barmhartigheid doe aan duizenden die mij liefhebben en mijn geboden onderhouden. Hebt de Here lief met geheel uw hart en geheel uw ziel en geheel uw kracht: dat is het eerste en belangrijkste gebod.” En het tweede gelijkt er op: “Hebt uw naaste lief gelijk uzelven.” Geen ander gebod is belangrijker dan deze!” En na die woorden bleven zij allen zwijgen behalve een, die uitriep: “Wat moet ik doen, Meester, als ik zie, dat een wild dier in het woud mijn broeder verscheurt? Moet ik mijn broeder laten omkomen of het wilde dier doden? Zou ik zodoende niet de wet overtreden?”

En Jezus antwoordde: “Oudtijds is er gezegd: “Al het gedierte dat op aarde kruipt, alle vissen in de zee en al het gevogelte des hemels zijn u gegeven om over te heersen.” Waarlijk, ik zeg u dat God van alle schepselen die op aarde leven alleen de mens naar zijn evenbeeld geschapen heeft. Daarom is het gedierte er voor de mens en niet de mens voor het gedierte. En daarom overtreedt gij geen enkele wet wanneer gij het wilde dier doodt om uw broeders leven te redden. Maar hij die een dier doodt zonder reden, als het dier hem niet aanvalt, alleen uit lust om te slachten of om zijn vlees of om zijn huid of zelfs om zijn slagtanden, die begaat een slechte daad want hij is zelf in een wild dier veranderd. Daarom zal ook zijn einde zijn als het einde van wilde dieren.” Daarop zij een ander: “Mozes, de grootste man van Israël stond toe dat onze voorvaderen het vlees van reine dieren aten en verbood slechts het vlees van onreine dieren. Waarom verbiedt u ons dan het vlees van alle dieren? Welke is de wet van God? Die van Mozes of de uwe? En Jezus antwoordde: “Door Mozes heeft God aan uw voorvaderen tien geboden gegeven. “Deze geboden zijn hard”, zeiden uw voorvaders en zij konden ze niet onderhouden. Toen Mozes dit zag kreeg hij medelijden met zijn volk en hij wilde niet dat zij zouden omkomen.

En toen gaf hij hun tienmaal tien geboden die minder hard waren, zodat zij die konden naleven. Voorwaar, ik zeg u: als uw voorvaderen in staat waren geweest om Gods tien geboden te onderhouden, dan had Mozes nooit zijn tienmaal tien geboden nodig gehad. Want hij wiens voeten zo stevig staan als de berg Zion, die heeft geen krukken nodig; maar hij wiens ledematen beven, komt verder met krukken dan zonder. En Mozes zei tot de Here: “Mijn hart is vervuld van smart omdat mijn volk verloren zal gaan. Want zij zijn zonder kennis en zijn niet in staat, uw geboden te begrijpen. Zij zijn als kleine kinderen, die de woorden van hun vader nog niet kunnen bevatten. Sta toe, Here, dat ik hun andere wetten verschaf opdat zij niet ten gronde zullen gaan. Als zij dan niet met u kunnen zijn, Here, laat hen dan in ieder geval niet tegen u zijn, opdat zij zich in leven zullen kunnen houden en, wanneer de tijd gekomen is en zij rijp zullen zijn voor Uw woorden, openbaar hun dan uw wetten!”

Daarom brak Mozes de twee stenen tafelen waarop de tien geboden geschreven stonden en hij gaf hun tienmaal tien in plaats ervan. En van deze tienmaal tien hebben de Schriftgeleerden en de Farizeeën wel honderdmaal tien geboden gemaakt. En zij legden u ondraaglijke lasten op de schouders, die zij zelf niet kunnen dragen. Want hoe nader de geboden zijn tot God, hoe minder wij er nodig hebben; en hoe verder zij van God verwijderd zijn, des te meer hebben wij er van nodig! Daarom zijn de wetten der Farizeeën en Schriftgeleerden talloos; de wetten van de Zoon des Mensen zijn er Zeven: van de engelen zijn er Drie en van God: Een. “Daarom leer ik u alleen die wetten welke gij kunt begrijpen: opdat gij mensen zult worden, en de zeven wetten van de Zoon des Mensen kunt naleven. Dan zullen de onbekende engelen van de Hemelse Vader u ook hun wetten openbaren, opdat Gods heilige geest op u moge neerdalen en u naar Zijn Wet moge leiden.” En allen waren zij onder de indruk van zijn wijsheid en zij vroegen hem: “ga door, Meester en onderwijs ons alle wetten die wij kunnen bevatten.” En Jezus ging verder: “God gebood uw voorvaderen:”Gij zult niet doden.” Maar hun hart was verhard en zij doodden. Toen wenste Mozes dat zij tenminste geen mensen zouden doden en hij stond hen toe om dieren te doden. En toen verhardde het hart van uw voorvaderen nog meer en zij doodden zowel mensen als dieren. Maar ik zeg u: dood mensen noch dieren noch het voedsel dat gij in de mond neemt.

Want als gij levend voedsel eet, zal dat u tot leven brengen, maar als gij uw voedsel doodt, dan zal dat voedsel u ook doden. Want leven komt slechts voort uit leven en de dood zal altijd dood teweeg brengen. Want alles wat uw voedsel doodt zal ook uw lichaam doden. En alles wat uw lichaam doodt, doodt ook uw ziel. En uw lichaam wordt wat uw voedsel is, gelijk uw geest wordt wat uw gedachten zijn. Daarom dient gij niets te eten dat door vuur, vorst of water bedorven is. Want gekookt, bevroren en verrot voedsel zal ook uw lichaam koken, bevriezen en verrotten.

Weest niet als de dwaze landman die gekookte en bevroren en verrotte zaden in zijn aarde zaaide. En toen het herfst werd droegen zijn akkers geen vrucht. En groot was zijn teleurstelling. Maar weest als de landman die levend zaad op zijn akker zaaide en wiens akker levende tarwe-aren opleverde, die hem honderdvoudig betaalden voor het zaad dat hij geplant had. Want voorwaar, ik zeg u: leeft slechts door het vuur des levens en bereidt uw voedsel niet met het vuur des doods dat uw voedsel, uw lichaam en ook uw ziel doodmaakt.” “Meester, waar is dat vuur des levens?”vroegen sommigen. “In u: in uw bloed en in uw lichaam.” “En het vuur des doods?”vroegen anderen. “Dat is het vuur dat buiten uw lichaam brandt en heter is dan uw bloed. Met dat vuur des doods kookt gij uw voedsel thuis en in het veld. Ik zeg u waarlijk: het is datzelfde vuur dat uw voedsel en uw lichaam vernietigt, gelijk het vuur van de haat dat uw gedachten teistert uw geesten verwoest. Want uw lichaam is datgene wat u eet en uw geest is datgene wat gij denkt.

Eet daarom niets dat gedood is door een krachtiger vuur dan het vuur des levens. Bereid en eet daarom alle boomvruchten, alle gewassen des velds en alle melk van dieren die eetbaar zijn. Want dit alles is gevoed en gerijpt door het vuur des levens; dit alles is het geschenk van de engelen van onze Moeder Aarde. Maar eet niets dat alleen door het vuur des doods smakelijk wordt, want die dingen zijn van de Satan!” “Hoe moeten wij dan ons dagelijks brood bakken zonder vuur, Meester?”vroegen enkelen in grote verbijstering. “Laat Gods engelen uw brood bereiden. Maak uw tarwe vochtig, zodat de engel van het water hem binnen kan gaan. Zet hem dan buiten, zodat de engel van de lucht hem kan omhelzen. En laat hem van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat in de zon staan, zodat de engel van het zonlicht erop neder kan dalen. En de zegen van de drie engelen zal spoedig zorgen dat de levenskiem in uw tarwe ontspruit. Dan kunt gij uw graan pletten en dunne wafels maken zoals uw voorvaderen dat reeds deden toen zij uit Egypte vertrokken, alwaar zij in slavernij geleefd hadden. Legt ze weer terug in de zon zodra hij opkomt en als deze zijn hoogste punt aan de hemel bereikt heeft kunt u ze omkeren zodat ook de andere kant door de engel van het zonlicht omhelsd kan worden. En laat ze daar liggen tot zonsondergang. Want de engelen van het water, van de lucht en van het zonlicht hebben de tarwe op de akker gerijpt en evenzo moeten zij uw brood bereiden. En dezelfde zon die de tarwe op de akker door het vuur des levens heeft laten groeien en het heeft doen rijpen, moet met hetzelfde vuur uw brood bakken. Want het vuur van de zon geeft leven aan de tarwe, aan het brood en aan het lichaam. Maar het vuur des doods maakt de tarwe dood en ook het brood en het lichaam. En de levende engelen van de levende God dienen alleen levende mensen. Want God is de God der levenden en niet de God der doden.

Eet dus altijd van Gods tafel: de vruchten der bomen, het graan en de gewassen des velds, de melk der dieren en de honing der bijen. Want al het overige is van de Satan en leidt door zonden en ziekten naar de dood. Maar het voedsel dat gij eet van Gods overvloedige tafel heeft eens Methusalem gevoed en voorwaar, ik zeg u: wanneer gij leeft zoals hij, dan zal de God der levenden ook u een lang leven op aarde toebedelen, zoals het zijne was. Want waarlijk, ik zeg u: de God der levenden is rijker dan alle rijken der aarde bijeen en zijn overvloedige tafel is rijker dan de rijkste feestdis van alle rijken der aarde bijeen. Eet daarom uw leven lang aan de tafel van onze Moeder Aarde en gij zult nooit tekort komen.

En wanneer gij eet aan haar tafel, eet dan alles precies zoals het op de tafel van Moeder Aarde gevonden wordt. Kookt het niet en vermengt ook het een niet met het ander, anders zullen uw ingewanden worden als een walmend moeras. Want voorwaar, ik zeg u: dit is een gruwel in de ogen van de Here. En weest niet als de gulzige knecht, die altijd aan de tafel van zijn meester de porties van anderen opat. En hij verslond alles zelf en in zijn vraatzucht mengde hij alles dooreen. En toen zijn meester dat zag werd hij kwaad op hem en hij joeg hem van tafel. En toen allen klaar waren met eten mengde hij alle resten dooreen, riep de gulzige knecht bij zich en zei: “Neem dit mee en eet alles samen met de varkens op, want je plaats is bij hen en niet aan mijn tafel.” Weest daarom op uw hoede en bezoedelt de tempel van uw lichaam niet met allerlei gruwelen. Stelt u tevreden met twee of drie soorten voedsel, die gij altijd wel op de tafel van onze Moeder Aarde zult kunnen vinden. En koestert niet de wens om alles wat gij om u heen ziet ook meteen te verslinden.

Want waarlijk, ik zeg u: als gij allerlei soorten voedsel in uw lichaam vermengt, dan zal de vrede van uw lichaam ten einde komen en er zal een eindeloze oorlog in u woeden. En het zal ten gronde gaan zoals huizen en koninkrijken die innerlijk verdeeld zijn en hun eigen ondergang bewerkstelligen. Want uw God is de God van de vrede en hij verleent nooit hulp aan verdeeldheid. Wekt daarom dan ook nooit de toorn van God jegens u op, want dan zal Hij u van zijn tafel wegjagen en dan zijt gij gedwongen om naar Satans tafel te gaan, alwaar het vuur der zonden, der ziekten en des doods uw lichaam zal verderven. En wanneer gij eet, eet dan nooit tot gij niet meer kunt. Ontvlucht de verleidingen des Satans en luistert naar de stem van Gods engelen. Want de Satan en zijn macht brengen u altijd in de verleiding om steeds meer te eten. Maar leeft in de geest en biedt weerstand aan de begeerten van het lichaam. En wanneer gij vast zal dat de engelen Gods altijd behagen. Bedenk dus hoeveel gij gegeten hebt als gij voldaan zijt en eet vervolgens altijd een derde minder dan dat. Laat het gewicht van uw dagelijks voedsel niet minder zijn dan een mina, maar let er op dat het niet meer is dan twee. Dan zullen Gods engelen u altijd dienen en gij zult nooit in de ban van de Satan en van zijn ziekten geraken. Bemoeilijkt het werk der engelen in uw lichaam niet door dikwijls te eten.

Want voorwaar, ik zeg u: hij die vaker eet dan tweemaal daags verricht in zichzelf het werk van de Satan! En dan zullen de engelen Gods zijn lichaam verlaten en spoedig zal de Satan er bezit van nemen. Eet alleen wanneer de zon zijn hoogste punt aan de hemelen bereikt heeft en nogmaals nadat hij is ondergegaan. En gij zult nooit ziekte kennen, want dit is de Here welgevallig. En wanneer gij wilt dat de engelen Gods zich in uw lichaam verheugen en dat de Satan u links laat liggen: neemt dan slechts éénmaal daags aan Gods tafel plaats. En dan zullen uw dagen op de aarde verlengd worden, want dit behaagt de Heer. En eet altijd wanneer de tafel Gods u wordt opgediend en eet altijd van hetgeen u op Gods tafel aantreft. Want voorwaar, ik zeg u: God weet feilloos wat uw lichaam van node heeft en wanneer het dat van node heeft. Wanneer de maand Ijjar aanbreekt dient gij gort te eten; vanaf de maand Sivan dient gij tarwe te eten, het volmaaktste van alle zaaddragende gewassen. En laat uw dagelijks brood gemaakt zijn van tarwe, zodat de Here uw lichaam kan verzorgen.

Vanaf Tammoez dient gij zure druiven te eten, zodat uw lichaamsgewicht afneemt en de Satan het verlaat. In de maand Elul dient gij druiven te oogsten en het sap ervan te drinken. In de maand Marchesvan dient gij zoete druiven te oogsten, die door de engel van het zonlicht gezoet en gedroogd zijn, zodat uw lichaamsgewicht kan toenemen, want de engelen des Heren hebben er hun woonplaats. In de maanden Ab en Sjebat dient gij sappige vijgen te eten en wat er over blijft laat gij de engel van het zonlicht voor u bewaren. Eet ze met het vruchtvlees van amandelen in alle maanden dat de bomen geen vrucht dragen. En de kruiden die na de regen opkomen, deze dient gij in de maand Tebet te eten, opdat uw bloed gezuiverd worde van al uw zonden. En in dezelfde maand dient gij ook de melk van uw dieren te gaan drinken, want hiertoe heeft de Here de gewassen van het veld gegeven aan alle dieren die melk geven, opdat zij met hun melk de mensen zouden voeden. Want waarlijk, ik zeg u: gelukzalig zijn zij die slechts eten aan de tafel Gods en alle gruwelen van de Satan mijden. Eet geen onrein voedsel dat uit verre landen komt, maar eet altijd wat uw bomen voortbrengen. Want uw God weet feilloos wat gij van node hebt, waar en wanneer. En Hij geeft aan alle volkeren van alle koninkrijken het voedsel dat voor eenieder het beste is.

Eet niet zoals de heidenen, die zich haastiglijk volproppen en hun lichaam met allerlei gruwelen bezoedelen. Want de kracht van Gods engelen gaat u binnen met het levende voedsel dat de Here u geeft van Zijn koninklijke tafel. En wanneer gij eet, laat dan de engel van de lucht boven u zijn en de engel van het water onder u. Haalt lang en diep adem bij al uw maaltijden, opdat de engel van de lucht uw maal kan zegenen. En kauwt uw voedsel goed met uw tanden, zodat het vloeibaar wordt en de engel van het water het in uw lichaam tot bloed kan maken. En eet langzaam, alsof gij bidt tot de Here. Want voorwaar, ik zeg u: de kracht van God zal u binnen gaan wanneer gij op deze wijze aan zijn tafel eet. Maar de Satan verandert in een walmend moeras het lichaam van hem, op wie de engelen van lucht en water niet nederdalen bij zijn maaltijden.

En de Here zal hem niet meer aan zijn tafel gedogen. Want de tafel des Heren is een altaar en hij die aan de tafel Gods eet bevindt zich in een tempel. Want voorwaar, ik zeg u: het lichaam van de Zonen des Mensen wordt tot een tempel en hun ingewanden tot een altaar, indien zij Gods geboden onderhouden. Daarom dient gij niets op het altaar des Heren te plaatsen wanneer uw geest in beroering is, noch in Gods tempel kwaad over iemand te denken. En gaat het heiligdom des Heren slechts binnen wanneer gij in uzelven de roep van zijn engelen hoort, want alles wat u eet in droefenis of kwaadheid of zonder lust, wordt in uw lichaam tot vergif. Want de adem van de Satan bezoedelt dit alles. Plaatst uw offeranden met vreugde op het altaar van uw lichaam en laat alle kwade gedachten uit u vertrekken wanneer gij de kracht van God aan Zijn tafel in uw lichaam ontvangt. En neemt nooit plaats aan Gods tafel voordat hij u geroepen heeft door de engel van de eetlust. Verblijdt u daarom altijd met Gods engelen aan hun koninklijke tafel want dit behaagt de Here in Zijn hart. En uw leven zal lang zijn op aarde want de dierbaarste van Gods dienaren zal u al uw dagen dienen: de engel van de vreugde. En vergeet niet dat elke zevende dag heilig is en gewijd aan God. Voedt uw lichaam zes dagen lang met de gaven van Moeder Aarde, doch op de zevende dag dient gij geen aards voedsel te eten, maar slechts te leven op Gods woorden. En vertoeft de gehele dag met de engelen des Heren in het koninkrijk van de Hemelse Vader. En laat de engelen Gods op de zevende dag in uw lichaam het koninkrijk der hemelen bouwen, zoals gij zes dagen lang werkt in het koninkrijk van Moeder Aarde.

En laat op de zevende dag geen voedsel het werk der engelen in uw lichaam belemmeren. En god zal u een lang leven toemeten op aarde, zodat gij in het hemels koninkrijk het eeuwige leven kunt genieten. Want voorwaar, ik zeg u: indien gij op aarde geen ziekte meer kent, zult gij eeuwig leven in het koninkrijk der hemelen. En God zal u elke morgen de engel van het zonlicht zenden om u uit de slaap te wekken. Daarom dient gij aan de oproep van uw Hemelse Vader gehoor te geven en niet lediglijk in uw bed te blijven liggen want buiten wachten u reeds de engelen van lucht en water. En werkt de gehele dag met de engelen van Moeder Aarde zodat gij hen en hun werken steeds beter kunt leren kennen. Maar wanneer de zon is ondergegaan en uw Hemelse Vader u zijn dierbaarste engel zendt, de slaap, gaat dan te ruste en vertoeft de gehele nacht bij de engel van de slaap. En dan zal uw Hemelse Vader u zijn onbekende engelen zenden om uw gehele leven lang elke nacht bij u te zijn. En de onbekende engelen van de Hemelse Vader zullen u vele dingen leren over het koninkrijk Gods zoals de engelen van Moeder Aarde, die gij kent, u les geven in de zaken van haar koninkrijk.

Want voorwaar, ik zeg u: elke nacht zult gij te gast zijn in het koninkrijk van uw Hemelse Vader indien gij zijn geboden onderhoudt! En wanneer gij de volgende morgen ontwaakt zult gij de kracht van de onbekende engelen in u voelen. En uw Hemelse Vader zal ze u elke nacht sturen opdat zij mogen bouwen aan uw geest, gelijk Moeder Aarde u elke dag haar engelen stuurt opdat zij mogen bouwen aan uw lichaam. Want waarlijk, ik zeg u: als Moeder Aarde u overdag in haar armen neemt en de Hemelse Vader u des nachts met zijn kus beroert, dan zullen de Zonen der Mensen worden tot Zonen Gods! Biedt dag en nacht weerstand aan de verleidingen van de Satan. Blijft des nachts niet wakker en slaapt niet overdag, anders zullen de engelen Gods u verlaten. En schept geen genoegen in enige drank of rookgerei afkomstig van de Satan, die u des nachts wakker houden en overdag doen slapen. Want waarlijk, ik zeg u: alle drank en rookgerei van de Satan zijn gruwelen in Gods ogen. Bedrijft geen hoererij, noch des nachts, noch overdag, want de hoereerder is als een boom waarvan het sap uit diens stam stroomt. En die boom zal voor zijn tijd opgedroogd zijn en nooit meer zal hij vrucht dragen.

Weest daarom geen hoereerders, opdat niet de Satan uw lichaam uit doet drogen en de Here uw zaad onvruchtbaar maakt! Schuwt al wat te heet of te koud is. Want het is de wil van uw Moeder Aarde dat hitte noch koude uw lichaam deren. En laat uw lichaam niet warmer of kouder worden dan Gods engelen het verwarmen of afkoelen. En wanneer gij de geboden van Moeder Aarde onderhoudt, dan zal zij u zo vaak als uw lichaam te warm wordt de engel van de koelte toezenden om u af te koelen en zo vaak als uw lichaam te koud wordt, zal zij u de engel van de warmte toezenden om u weer op te warmen. Volgt het voorbeeld van alle engelen van de Hemelse Vader en Moeder Aarde die dag en nacht werkzaam zijn, zonder ophouden, aan de koninkrijken van hemel en aarde. Daarom dient gij dan ook de sterkste van Gods engelen in u op te nemen: de engel van de daadkracht; en samen te werken aan Gods koninkrijk.

Volgt het voorbeeld van het stromende water, van de wind die blaast waarheen hij wil, van het opkomen en ondergaan van de zon, van het groeien van planten en bomen, van de dieren zoals zij rennen en dartelen, van het afnemen en wassen der maan, van de sterren zoals zij komen en gaan; alle blijven zij in beweging en verrichten zij hun taak. Want al wat leeft is in beweging en slechts wat dood is blijft stil. En God is de God der levenden en de Satan die der doden. Dient daarom de levende God, dan zal de eeuwige beweging van het leven u onderhouden en dan zult gij aan de eeuwige onbeweeglijkheid van de dood ontkomen. Werkt daarom zonder ophouden aan het opbouwen van het koninkrijk Gods, anders zult gij in het koninkrijk van de Satan geworpen worden. Want het levende koninkrijk Gods vloeit over van eeuwige vreugde, maar stil leed verduistert satans koninkrijk van de dood! Weest daarom ware zonen van uw Moeder Aarde en uw Hemelse Vader, dan zult gij niet ten val komen als slaven van de Satan. En uw Moeder Aarde en uw Hemelse Vader zullen u hun engelen zenden om u te onderrichten, om u lief te hebben en om u te dienen. En hun engelen zullen de geboden Gods neerschrijven in uw hoofd, uw hart en uw handen, zodat gij Gods geboden kent, voelt en onderhoudt. En bidt dagelijks tot uw Hemelse Vader en uw Moeder Aarde, opdat uw ziel zo volmaakt wordt als de heilige geest van uw Hemelse Vader en uw lichaam zo volmaakt als het lichaam van uw Moeder Aarde. Want indien gij de geboden begrijpt, voelt en onderhoudt, dan zal alles waarvoor gij tot uw Hemelse Vader en uw Moeder Aarde bidt, u gegeven worden! Want de wijsheid, de liefde en de kracht van God gaan alles te boven.

Zo dient gij dan tot uw Hemelse Vader te bidden: Onze Vader, die in de hemelen zijt: Uw Naam worde geheiligd! Uw Koninkrijk kome! Uw Wil geschiede; gelijk in de Hemel, zo ook op aarde! Geef ons heden ons dagelijks brood, En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; En leid ons, niet in verzoeking: maar verlos ons van den boze. Want van U is het Koninkrijk, en de Kracht en de Heerlijkheid, Tot in eeuwigheid, Amen! En zo dient gij tot uw Moeder Aarde te bidden: Onze Moeder, die op aarde zijt: Uw Naam worde geheiligd! Uw Koninkrijk kome! Uw wil geschiede, gelijk in U, alzo ook in ons! Gelijk gij dagelijks Uw engelen uitzendt, zend hen ook naar ons, Vergeef ons onze zonden gelijk wij al onze zonden jegens U verzoenen; En leid ons, niet naar de ziekte: maar bevrijd ons van alle kwaad. Want Uwer is de Aarde en het Lichaam en de Gezondheid, Amen! En zij baden allen tezamen met Jezus tot de Hemelse Vader en tot Moeder Aarde. En daarna sprak Jezus aldus tot hen: “Zoals uw lichaam herboren is met behulp van de engelen van Moeder Aarde, moge uw geest evenzo herboren worden met behulp van de engelen van de Hemelse Vader. Wordt daarom ware Zonen (en Dochters) van uw Vader en van uw Moeder, en ware Broeders (en Zusters) van de Zonen der Mensen.

Totnogtoe hebt gij in oorlog verkeerd met uw Vader, met uw Moeder en met uw Broeders, de Zonen der Mensen. En gij hebt de Satan gediend! Leeft dan voortaan in vrede met uw Hemelse Vader en met uw Moeder Aarde en met uw Broeders, de zonen der Mensen. En vecht nog slechts tegen de Satan, opdat hij u niet van uw vrede moge beroven. Ik schenk uw lichaam de vrede van uw Moeder Aarde en uw geest de vrede van uw Hemelse Vader. En laat hun beider vrede heersen temidden van de Zonen der Mensen. Komt allen tot mij, gij die vermoeid zijt en die lijdt in tweedracht en kwellingen! Want mijn vrede zal u kracht schenken en u tot troost zijn. Want mijn vrede loopt over van vreugde. Daarom begroet ik u altijd op deze wijze: “Vrede zij met u!” en daarom dient ook gij elkaar altijd zo te begroeten.

Dan zal de vrede van uw Moeder Aarde op uw lichaam neerdalen en dan zal de vrede van uw Hemelse Vader in uw geest neerdalen. En dan zult gij ook onderling vrede vinden, want het koninkrijk Gods is dan in u! En keert dan nu terug naar uw Broeders waarmee gij totnogtoe in oorlog waart en maakt hen ook deelachtig aan uw vrede! Want gelukzalig zijn degenen die naar vrede streven omdat zij Gods vrede zullen vinden. Gaat dan heen en zondigt niet meer. En maakt eenieder deelachtig aan uw vrede, gelijk ik u deelachtig gemaakt heb aan mijn vrede. Want mijn vrede is uit God.; Vrede zij met u!”

Toen ging hij bij hen vandaan. En zijn vrede daalde op hen neer; en met in hun hart de engel der liefde, in hun hoofd de wijsheid der wet en in hun handen de kracht van de wedergeboorte gingen zij heen en vertoefden onder de Zonen der Mensen, om hen die nog in strijd verkeerden, in de duisternis, het licht van de vrede te brengen. En zij gingen uiteen en wensten elkander toe:

“VREDE ZIJ MET U !”

Ondersteunende supplementen voor vasten of detox

Powerdetox Kuurpakketten

Klysma en Darmspoeling
Darmmanagement